maandag 3 november 2014

Boekverslag hersenschimmen

Hersenschimmen
J. bernlef


Opinie
Het boek is echt prachtig geschreven. Je ziet hoe Maarten Klein steeds minder van de wereld begrijpt, en de wereld steeds minder van hem. Je ziet alles door zijn ogen, en je leeft eigenlijk in hem. Ik vind het zo slim gekozen om juist met dit boek voor een ik-perspectief te gaan. Je ziet dementie nu eens van de andere kant. 
 Ik had een opa met dementie, en ik maakte dat gewoon mee, nooit nadenkend over hoe hij nu eigenlijk leefde, en dat besef je toch wel echt heel mooi door dit boek. Je leeft ontzettend met hem mee, en ik vond het eigenlijk ook wel ontzettend zielig, voor Maarten maar ook voor zijn vrouw.
Eigenlijk vond ik het ook wel jammer dat er niet heel vaak iets gebeurde dat je heel nieuwsgierig maakte naar de afloop, zoals die keer dat Maarten uit zijn eigen huis breekt en inbreekt in het huis waarvan hij dacht een vergadering te hebben en laat te zijn. Maar eigenlijk had het ook niet gekund, omdat de manier hoe Maarten dit zou ervaren, heel vaag zou zijn, en het boek onduidelijk zou maken. Want dat is Bernlef echt gelukt, om zo’n ingewikkelde visie duidelijk te maken. Dat blijkt uit het feit dat het woord dementie niet een keer wordt genoemd, en toch is het duidelijk dat Maarten hier last van heeft.

 

Samenvatting
Maarten en Vera Klein wonen al jaren gelukkig in Gloucester, Massachusetts (Verenigde Staten). Langzaam maar zeker begint Maarten heden en verleden door elkaar te halen. Het begin heel klein, op het moment dat hij niet meer weet welke dag het is en op een zondag wacht tot de schoolbus langs zal komen of als hij steeds vaker in gedachten verzonken is. Langzaam maar zeker kan hij zich dingen niet meer herinneren en als hij zich iets herinnert, gaat hij volledig in die herinnering op. Zo denkt hij op een dag dat hij weer op de kleuterschool is en van de juf de potlodendoos mag halen. Hij loopt de gang door naar het materiaalhok en klimt op een stoel om de doos te gaan zoeken. Dan staat Vera plots achter hem en haalt hem uit de droom. Hij blijkt op de keukenstoel in hun washok te staan. Later geeft hij hele rare antwoorden op vragen, omdat hij net ergens anders met z’n gedachten was. Als Vera hem een keer vraagt wat hij zo lang in de keuken deed, antwoordt hij bijvoorbeeld vangstquota. Uiteindelijk gaat dit nog een stapje verder en breekt hij in bij een vakantiehuisje waar vroeger de vergaderingen van zijn bedrijf waren omdat hij denkt dat hij te laat op zijn vergadering komt. Ook vergeet hij dat mensen en dieren dood zijn en vraagt dus steeds naar hen als anderen langskomen. Een keer begint hij plotseling naar de snoepreepjes die zijn oma altijd voor hem achter in de buffetkast verstopte te zoeken.
Vera wordt steeds ongeruster en als Maarten weg begint te lopen van huis laat ze uiteindelijk een meisje, Phil Taylor, in huis wonen die op Maarten kan passen als zij weg is. Maarten vergeet echter steeds wie ze is. Eerst ziet hij haar aan voor een vriendin van zijn dochter, dan voor zijn vroegere piano juf en uiteindelijk voor zijn dochter. Ook van Vera vergeet hij soms wie ze is.

In het boek wordt ook de moeilijker wordende relatie tussen Vera en Maarten weergegeven. Een eerste beschrijving die Maarten van haar geeft is nog heel scherp, bij kennis. Meer op het einde heeft hij het echter over een oude vrouw, die er een beetje verfomfaaid uitziet met haar vochtig neerhangende slappe bruine krullen en haar gerimpelde hals. Later herkent hij haar niet meer op foto’s en uiteindelijk weet hij helemaal niet meer wie ze is.

In het laatste deel van het boek weet Maarten zelf niet meer wie hij is. Eerst heeft hij het nog over “mijn spullen”, “ik kan ..” etc. Maar naarmate hij verder aftakelt begint hij in derde persoon over zichzelf te praten, om het uiteindelijk alleen nog maar over ‘het’ te hebben. Tegelijk met deze verandering in benoeming van zichzelf, trekt hij zich steeds meer in zijn hoofd terug. Hij communiceert bijna niet meer met de buitenwereld, maar denkt in onsamenhangende zinnen en fragmenten aan wat er om hem heen gebeurt. Een van de redenen hiervoor is dat hij ook steeds meer moeite met het Engels begint te hebben, en soms even de taal niet meer lijkt te verstaan. Op het laatst zijn Maartens gedachten zo onsamenhangend en fragmentarisch dat er bijna niet meer duidelijk is wat er nou met hem gebeurt. Wel weet hij op zijn sterfbed weer even wat er om hem heen gebeurt en zoekt en vindt hij Vera’s hand, al weet hij haar naam niet meer.


Bron: http://www.scholieren.com/boek/38/hersenschimmen/zekerwetengoed

 

Opdracht: Perspectief
De verteller in dit boek is Maarten Klein, een man die al een paar jaar gepensioneerd is en al lange tijd in Amerika woont met zijn vrouw, Vera Klein. Het is een ik-perspectief, je ziet dingen vanuit zijn ogen. Het effect is dat je de dementie de macht over hem ziet nemen, en eigenlijk ook over jezelf doordat je het leest. Het maakt het zo meeslepend en ook zielig, en zoals ik dat eerder zei vind ik het meesterlijk gekozen.

Scène 1:
In deze scène wordt Maarten op een ochtend wakker, en wil naar zijn werk gaan voor een vergadering, waar hij laat voor denkt te zijn. Zijn vrouw is even weg, en heeft de deur op slot gedaan, en hij raakt in paniek. Hij breekt met een hamer en schroevendraaier het slot van zijn eigen voordeur open, en loopt naar het huisje waar hij vroeger met zijn werk vergaderingen had. Ook daar breekt hij de voordeur open, om daar vervolgens niemand te treffen. In de war blijft hij daar staan, maar de vuurtorenwachter komt hem ophalen.

Ik zou dit stukje willen herschrijven vanuit het perspectief van zijn vrouw, Vera.
Het is vroeg, Maarten slaapt nog. Ik zie hoe hij daar vredig ligt, in zijn moment van rust. Hij doet de laatste tijd zo vreemd, zo verward. Ik zie dat ik moet gaan, Ellen Robbins wacht op mij, maar wat doe ik met Maarten? Stel dat hij mij gaat zoeken, en de weg kwijtraakt? Ik besluit de deur achter mij op slot te draaien, en ik loop rustig richting mijn vriendin. 

‘Ik moet maar eens gaan, Maarten zou wel ongerust zijn, denk je niet?’ Ik zet mijn lege koffie kopje terug op de schotel en ik sta op. Ik zoek mijn tas, die naast de stoel ligt. Ellen knikt instemmend, en loopt mee naar de deur. ‘Ik maak me wel zorgen om Maarten, om wat ik van jou hoor.’ Zegt ze. ‘Je zegt dat hij soms moeite heeft om jou te herkennen, en dat foto’s kijken niet eens helpt. Denk je niet dat je er iemand van de zorg bij moet halen?’ Ik kijk naar mijn voeten. Het sloopt me om Maarten zo te zien. Maar ik wil niet dat er iemand van de zorg de hele tijd om ons heen loopt. Dan is het serieus, en dan kan ik het niet meer ontkennen in mijn gedachten. ‘Ik vind het ook moeilijk, maar ik denk nog niet dat het zover is.’ zeg ik, en ik maak aanstalten om nu echt weg te gaan. Ze groet me, en ik groet terug.
De hele weg terug denk ik aan Maarten. Ik denk nergens anders meer aan. Ik slaap slecht ’s nachts, ik huil veel. Ik wil niet dat het zo gaat, dat het zo gaat eindigen. Machteloos ben ik, slechts een toeschouwer. Als ik bij ons huis aankom schrik ik. De deur hangt half open, en ziet er kapot uit. Ik probeer het laatste stukje terug te rennen, maar verder dan een versneld tempo kom ik niet. Ik loop de huiskamer in, en zie dat alles nog staat. Ik kijk in het verstopte doosje met kostbare sierraden, maar ook die staan er nog. Ik roep Maarten. Geen antwoord. Waar is hij? Ik loop naar boven, naar onze slaapkamer, maar het bed is leeg. Ik ga op bed zitten, en denk goed na. Ik roep hem nog een keer, maar ik hoor nog steeds niet. Ik loop alle kamers bij langs, maar er is geen spoor van hem. Ik bel Ellen, maar ook zij heeft niets gezien. Ik kan ook niet gaan zoeken, stel dat hij weer terugkomt. Dan vindt hij een leeg huis, en gaat hij me weer zoeken. 

Na een uur zie ik een Jeep stoppen voor mijn huis, en de vuurtorenwachter stapt uit. Hij loopt naar de voordeur, die ik al open had gemaakt. ‘Hallo mevrouw Klein, wij hebben uw man gevonden, vlakbij het strand. Hij leek aardig in de war, als je alleen al kijkt naar de manier hoe hij daar gekomen is. Gelukkig heeft hij verder niets. Weet u wat er met hem aan de hand is?’ Ik zucht. Wat een toestand. ‘Maarten is een beetje in de war de laatste tijd.’ Zeg ik, en ik loop naar mijn man toe, die met een deken om zich heen door waarschijnlijk de zoon van de vuurtorenwachter naar mij toe wordt gebracht. Ik bedank snel de mannen en ik neem hem mee naar binnen, en vraag om zijn uitleg. Als ik die heb gehoord, neem ik een besluit, dit kan zo echt niet langer.

Door dit perspectief zie je wat er in Vera omgaat, Maartens vrouw. Het laat ook haar kant zien, maar ik vind dit niet beter. Het is ook belangrijk om te weten wat zij denkt en vindt, maar de belevenissen van Maarten zijn in dit boek veel belangrijker  

 

Scène 2
In deze scène maak je het laatste van Maarten mee. Hij lijdt hier erg aan dementie, dus je leest alleen maar delen van fragmenten, wat erg onduidelijk is. Maar wel weer een goed beeld geeft van wat er omgaat in zijn hersenen.

Ik zou dit stukje willen herschrijven vanuit het perspectief van een verpleegster van hem.
Een nieuwe patiënt. Een demente. Fijn. Weer zo een die begint over verhalen die hij nooit heeft meegemaakt. Ik ben erop gezet, dus ik ga wel even een kijkje nemen. ‘Meneer Klein?’ zeg ik als ik in zijn kamer kom. Een oude, lange man zit in de kamer, en kijkt op. ‘Komt u gezellig in de grote kamer zitten, daar gaan we vandaag een tekening maken.’ Stomverbaasd kijkt de man mij aan. Ik herhaal wat ik zeg, maar als hij mij nog zo aankijkt, til ik hem voorzichtig op en zet hem in zijn rolstoel, terwijl hij protesterend iets roept in een vreemde taal. Zou dat het zijn, zou hij mij gewoon niet verstaan? Nadenkend rol ik hem de kamer in, en schuif hem aan een tafel. 

Een paar dagen later, als alle patiënten zitten te zingen onder begeleiding van de piano, staat meneer Klein ineens op, en tikt de pianist op zijn schouder, en vraagt of hij mag. Iedereen kijkt vol verwachting toe, maar er komt niets. Hij laat zijn handen van de piano glijden, en laat zijn hoofd zakken. Hij staat wankelend op, en gaat weer zitten. 

Ik zie hem snel achteruit gaan. Je ziet gewoon of hij wel aanwezig is of niet, qua geest. Soms lijkt hij heel helder uit zijn ogen, maar vaak is het tegenovergestelde waar. Uiteindelijk vond ik het toch wel een leuke man, en mede door zijn grote blauwe ogen krijg ik toch wel medelijden met hem. Ik hoop niet dat ik ooit zo eindig. Hoe zou het eraan toegaan in zijn hoofd?


Dit stukje is misschien wel duidelijker met dit perspectief, maar de ernst van Maartens toestand dringt niet tot je door, wat toch wel erg belangrijk is. Ik niet dat je dit boek vanuit een ander perspectief had moeten schrijven, want dit boek is heel psychologisch, en dat speelt zich vooral af in iemands hoofd. Zoiets kun je alleen maar begrijpen als je het vanuit diegene zijn perspectief ziet.


1 opmerking: